
Afstammings onderzoek bij paarden bestaat ruim 25 jaar. Sinds de beginjaren van deze
controle wordt van alle onderzochte dieren materiaal bewaard. Dit materiaal is nog
steeds van groot belang voor de huidige afstammingscontrole. Dankzij het archief van
bewaard materiaal is het nog steeds mogelijk om - inmiddels gestorven - ouderdieren te
controleren.
Bij paarden komen omvangrijke families voor waarbij de bloedlijnen ver in de tijd
teruggaan. Vanwege de lange geschiedenis van veel families is het interessant om
materiaal van oudere generaties in handen te krijgen. Internationaal gezien heeft tot op
heden nog geen beschrijving plaats gehad van families met meer dan 5 generaties waarvan
de afstamming gecontroleerd kon worden. De mogelijkheid om van een familie van zes
generaties materiaal vast te leggen is dan ook uniek te noemen. De nog levende
familieleden behoren alle tot de moederlijn, terwijl materiaal van de oudste vader in
1972 vastgelegd werd. Zodoende ontstond de situatie waarin kenmerken bepaald konden
worden van zes generaties paarden.
Rond 1970 werd begonnen met afstammingscontrole van paarden. Toendertijd werd
uitsluitend erfelijke variatie gezocht in bloed - in bloedgroepen en eiwitvariatie. Deze test
is in de loop der jaren steeds uitgebreid met nieuw beschreven variatie. Tot een jaar of
vijf geleden werd deze test wereldwijd algemeen gebruikt.
De laatste jaren zijn door sterk toenemende kennis in het menselijk onderzoek nieuwe
technieken beschikbaar gekomen. Een deel van deze technieken wordt inmiddels ook
gebruikt bij dieren voor o.a. de afstammingscontrole zoals die nu uitgevoerd wordt. Voor
deze technieken kan een verscheidenheid aan materiaal gebruikt worden, zoals o.a. bloed,
haar, sperma, melk, etc.
Internationaal gezien is veel ervaring opgebouwd met de afstammingscontrole m.b.v.
bloedgroepen en eiwitvariatie. Daarnaast raken de nieuwe technieken voor
afstammingscontrole - gebaseerd op DNA - wereldwijd steeds algemener in gebruik.
Onderzoek naar andere DNA-variatie in bijvoorbeeld kleurvererving zal de komende
jaren verder uitgebreid worden met behulp van de nieuwe technieken. Voor onderzoek
zijn families met informatie over meerdere generaties van groot belang. In de families
wordt vastgesteld op welke manier erfelijke kenmerken verschuiven en veranderen.
Zonder materiaal van omvangrijke en oude families zou dergelijk onderzoek niet plaats
kunnen vinden.

Figuur 1. Zes generaties Fjorden met de namen en geboortejaren.
De familie waarvan materiaal van zes generaties beschikbaar gekomen is, gaat via de moederlijn terug tot Heleentje (630097). Uit een dekking door Westman (480002) werd in 1972 de merrie Sunngard geboren (720004). In 1980 werd uit Sunngard en Oswin (740030) de merrie Armgard (800060) geboren. Via Fjellgard (850111; Armgard x Heimann) en Jillgard (890120; Fjellgard x Tunfeld) werd in 1996 het merrieveulen Rosegard geboren (960761; zie figuur 1).
Van alle paarden die deel uitmaken van de familie is DNA geïsoleerd, waarna een aantal
kenmerken op het DNA bekeken is. Om deze kenmerken vast te stellen zijn DNA
technieken gebruikt die vergelijkbaar zijn met de afstammingscontroles zoals die
uitgevoerd worden. In totaal zijn 17 kenmerken geanalyseerd, die aangeduid worden met
een lettercode en enkele cijfers.
Doordat zes generaties geanalyseerd konden worden, ontstond de mogelijkheid om vast te
stellen na hoeveel generaties kenmerken uit de eerste generaties nog aanwezig zijn bij de
nakomelingen. Gebleken is dat de kenmerken die aanwezig zijn bij Heleentje (generatie 1)
normaal overerven. Volgens de erfelijkheidsleer krijgt de nakomeling de helft van de
kenmerken van zijn/haar moeder (de andere helft van de vader). Zo zouden dus van de 17
kenmerken in de tweede generatie nog ongeveer acht, in de derde generaties vier, en in de
vierde generaties nog twee kenmerken van Heleentje aanwezig moeten zijn.
Twee kenmerken verdwijnen direct uit de familie (HMS2 en VHL150). Twaalf van de
zeventien kenmerken die Heleentje heeft, zijn na de eerste generatie nog aanwezig bij de
nakomeling. Twee factoren (ASB2 en VHL47) zijn aanwezig in de derde generatie, en één
kenmerk (HTG7) is in de vierde generatie (Fjellgard) nog aanwezig in de familie (zie
Tabel 1).
Tabel 1. Aanwezigheid van DNA-kenmerken van Heleentje in generaties.
Kenmerk Aanwezig in generatie
HMS2, VHL150 1
AHT4, AHT5, HMS1, HMS3, HMS6, HMS7, HTG3,
HTG4, HTG6, HTG8, HTG10, VHL20 2
ASB2, VHL47 3
HTG7 4
In het kader van (internationaal) onderzoek zijn grote families onmisbaar. De families die momenteel in gebruik zijn bestaan hoofdzakelijk uit één hengst met veel (50) nakomelingen. Dergelijke 'brede' families zijn zeker niet verkeerd, maar families met meerdere generaties geven inzicht op andere gebieden. Zulke 'diepe' families met meerdere generaties kunnen gebruikt worden voor bijvoorbeeld evolutionaire vraagstukken, en invloed van moederlijnen versus vaderlijnen.
De resultaten werden eerder gepubliceerd op de conferentie 'Plant & Animal Genome V', 12 - 16 januari, 1997, San Diego, USA (Poster 322).
W.A. van Haeringen.
Dr. van Haeringen Laboratorium b.v., Postbus 408, Wageningen
EMAIL : VHL@BEDRIJF.DIVA.NL